De jaarrekening is opgesteld waarbij we de voorschriften naleven zoals die zijn opgenomen in het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) en de verordening ex artikel 212 Gemeentewet. Daarin stelde de gemeenteraad op 24 februari 2026 de uitgangspunten vast voor het financiële beleid, en de regels voor het financiële beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie gewijzigd.
Algemene grondslagen voor het opstellen van de jaarrekening
Op basis van historische kosten waarderen we de activa en passiva en de bepalen we het resultaat. Tenzij bij het betreffende balanshoofd anders is gemeld, worden de activa en passiva opgenomen tegen nominale waarden.
De baten en lasten worden toegerekend aan het jaar waarover ze gaan. Baten en winsten worden alleen opgenomen als zij op de balansdatum zijn gerealiseerd. Met verliezen en risico's die hun oorsprong vinden voor het einde van het begrotingsjaar, wordt rekening gehouden als zij bekend zijn geworden voordat de jaarrekening is opgemaakt.
Dividendopbrengsten van deelnemingen worden als baat genomen op het moment waarop het besluit is genomen over de dividenduitkering.
Resultaten uit de jaarrekeningen van de gemeenschappelijke regelingen worden als baat of last genomen op het moment waarop de jaarrekeningen worden vastgesteld door de algemene besturen van de betreffende regelingen.
Voor de verwerking van de algemene uitkering deed de commissie BBV een stellige uitspraak. Deze uitspraak betekent dat in de jaarrekening de algemene uitkering wordt opgenomen volgens de laatst gepubliceerde accresmededeling in het jaar. In de jaarrekening 2025 is rekening gehouden met het accres volgens de septembercirculaire 2025.
Voor de eigen bijdragen die het CAK int en aan de gemeenten afdraagt, geldt het volgende op basis van de Kadernota rechtmatigheid 2018 van de commissie BBV: op basis van de overzichten van het CAK kunnen gemeenten wel de aantallen personen, soort en omvang van de zorgverlening beoordelen met de eigen WMO-administratie. Op deze overzichten ontbreken de inkomensgegevens. Daardoor heeft de gemeente onvoldoende informatie over de eigen bijdrage omdat zij niet de juistheid kan vaststellen op persoonsniveau en volledigheid van de eigen bijdragen als geheel. De wetgever koos de systematiek van het vaststellen van de eigen bijdragen door het CAK. Daarmee bepaalde de wetgever in feite dat de gemeente niet verantwoordelijk is voor de juistheid en volledigheid van de eigen bijdragen. Dat betekent dat gemeenten geen zekerheden kunnen krijgen over omvang en hoogte van de eigen bijdragen. Dat komt doordat ze de juistheid niet kunnen vaststellen op persoonsniveau, zoals hiervoor is toegelicht. De gemeente zal deze onzekerheid in de jaarstukken moeten noemen, ook al ligt de oorzaak niet bij de gemeente.
Personeelslasten worden in principe toegerekend aan het boekjaar waarover ze gaan. Sommige personele lasten worden echter toegerekend aan de periode waarin uitbetaling plaatsvindt; daarbij moet worden gedacht aan componenten zoals ziektekostenpremie ten behoeve van gepensioneerden en overlopende verlofaanspraken. Dit komt door het formele verbod om voorzieningen of schulden op te nemen vanwege jaarlijks terugkerende arbeidskostengerelateerde verplichtingen van vergelijkbaar volume.
Voor arbeidskostengerelateerde verplichtingen van een jaarlijks vergelijkbaar volume wordt geen voorziening getroffen of op een andere manier een verplichting opgenomen. De referentieperiode is dezelfde als die van de meerjarenraming. Dat is vier jaar. Als er (eenmalige) schokeffecten zijn (bijvoorbeeld door reorganisaties) dan wordt er wel een verplichting opgenomen.
De vaste schulden worden gewaardeerd tegen de nominale waarde, verminderd met gedane aflossingen. De vaste schulden hebben een rentetypische looptijd van één jaar of langer.
De vlottende passiva worden gewaardeerd tegen de nominale waarde.
Verdeling taakvelden over de programma's
In beginsel wordt een taakveld aan slechts één programma toegerekend. Een uitzondering hierop is taakveld 0.10 (mutaties reserves). Dit taakveld wordt toegerekend aan de programma's waarop de toevoegingen en onttrekkingen aan de reserves betrekking hebben.
Overhead
De kosten van overhead worden in beginsel niet meer verdeeld over de andere taakvelden en daarmee ook niet over de programma’s. We presenteren ze in een afzonderlijk overzicht. Een uitzondering is de toerekening van de overhead aan de grondexploitatie (taakveld 3.2 en 8.2). Vanuit taakveld 0.4 (Overhead) wordt in 2025 een bedrag van 760.175 euro aan de grondexploitatie toegerekend.
De directe personeelskosten van medewerkers die direct aan een programma/taakveld werken worden wel aan dat betreffende programma/taakveld toegerekend.
